Ach Micha, Ach Laïs.
Hoe ene Micha te grazen werd genomen en hoe een onbezorgd en vreedzaam levend volk zonder ingrijpen, ja zelfs met instemming van onze goedertieren God werd afgeslacht.
De Bijbel anders verteld, door Marius.
Rechters 17 en 18.(GNB)
De man Micha bekent zijn moeder dat hij een aanzienlijke hoeveelheid zilver van haar heeft gestolen. Zij vergeeft hem, krijgt het zilver terug en laat van een deel daarvan door een zilversmid een houten beeld overtrekken. Micha zet dat beeld, dat godenbeeld, tussen zijn andere godenbeelden (???) in zijn particuliere heiligdom. Hij stelt vervolgens een toevallig langskomende leviet aan als zijn particuliere priester en is zeer tevreden met zichzelf, ‘Nu weet ik het zeker, dat ik van de Heer niets dan goeds heb te verwachten. Ik heb immers een leviet als priester in dienst.’
Dat had hij gedacht, deze diefachtige naïeveling!
De Danieten zijn namelijk op zoek naar een eigen plekje. De stam der Danieten heeft als enige Israëlitische stam nog geen eigen grondgebied waar zij zich blijvend kunnen vestigen. En daar hebben ze natuurlijk recht op. Natuurlijk? Op zoektocht komen vijf verkenners van deze stam bij Micha en vinden er onderdak. Zij treffen er de huispriester en vragen hem God te willen raadplegen.
De priester bevraagt God en vertelt de Danieten dat wat ze ook doen de Heer hen zal beschermen.
De Danieten trekken dus welgemoed verder en komen in het stadje Laïs. En wat zien ze; een vredelievend volk (ze hadden met niemand contact, geen oorlog met de buren dus), ‘rustig en onbezorgd’ zegt de Bijbel en ze hebben aan niets gebrek. Dat laatste nu wekt uiteraard de hebzucht op van de voortrekkers van de Danieten, leden van het uitverkoren volk van ons aller God, de Here der Heerscharen. Vrede zij met hem, oh nee, sorry, Zijn Naam zij geprezen!!
De Danitische kwartiermakers gaan terug naar hun rotgenoten en vertellen hen dat God Zelve hen zal helpen het gebied en de stad van deze argeloze mensen te veroveren. Die levietpriester heeft toch gezegd dat het mocht?
Op weg naar hun toekomstige slachtoffers komen de Danieten bij het huis van Micha. En wat krijgt die man een spijt van zijn eerdere gastvrijheid. De Danieten jatten namelijk al zijn Godenbeelden, ook het kostbare zilveren beeld en stellen de toegesnelde priester voor hen te volgen. ‘Het is altijd beter priester te zijn voor een Israëlische stam dan voor het gezin van één man.’ Uiteraard (?) gaat de priester daar graag op in. (‘Toen werd het hart van de priester vrolijk’ Statenvertaling 1977)
Micha gaat, gewaarschuwd door zijn buren nog achter het geteisem aan, maar ze dreigen hem; ‘Wou je dood, met je hele familie, oprotten jij!’ Of woorden van gelijke strekking. Micha af, hij heeft nog gelijk, zie de rest van het verhaal.
De Danieten trekken nu verder naar Laïs, overvallen de bevolking, die daar ‘rustig en onbezorgd leefden’ en brengen alle inwoners om het leven; de stad steken ze in brand. (‘en sloegen hen met de scherpte des zwaards’, Statenvertaling 1977, komt wel erg vaak voor in het Oude Testament, dat gedoe met de scherpte des zwaards!)
En God zag dat het goed was. Er wordt in deze door God geïnspireerde geschriften niet gesuggereerd dat Hij het er niet mee eens was. Sterker nog, de priester in het verhaal zegt dat God achter het optreden van de Danieten staat, er wordt in ieder geval nergens aangegeven dat Hij het er niet mee eens was.
Wat een afschuwelijk verhaal, welk een buitengewoon onsympathieke indruk krijgen we van het uitverkoren volk en zijn God. En wat kunnen we er toch verheven lessen uit trekken.
Maar welke??
En zeg niet dat we niet alles uit de Bijbel letterlijk moeten nemen, dat we moeten lezen in de context van die tijd, dat we kritisch moeten zijn.
Welke normen leggen we dan aan, onze eigen normen, ons eigen geweten? En hebben we dan nog een Bijbel nodig??
Marius.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten